Ongeschreven regels in de bus
Column
Dit is een column van Elisa Liethof (student Journalistiek & Media).
Voor mij is een busrit eigenlijk een soort overlevingsspel, met regels die niemand hardop zegt maar die iedereen wel kent. Het begint al bij het instappen. Mensen die uitstappen hebben natuurlijk voorrang, maar er zit een duidelijke grens tussen netjes wachten en zo langzaam lopen dat iedereen zich aan je begint te ergeren. Zodra iedereen is uitgestapt, staat er vaak ook nog eens een lange rij voor me en zie ik de lege stoelen langzaam maar zeker vollopen.
Dan ben ik eindelijk aan de beurt. Ik scan zo snel mogelijk mijn pasje en hoop dat ik niemand raak met mijn tas, want anders krijg je meteen een boze blik. Lukt het om dit soepel te doen, dan voelt het toch alsof je extra punten scoort.
Daarna komt de vraag: ga ik naast een vreemde zitten of blijf ik onstabiel ergens staan? Het heilige plekje is het raam. Dat is heilig, want wie eenmaal het uitzicht heeft geclaimd, wil niet dat iemand dat verstoort met een tas of een arm.
Geluid is ook heel belangrijk. Als ik oortjes in heb, heb ik geluk. Heb ik die niet, dan moet mijn geluid op een niveau staan zodat alleen ik het hoor. Staat het net iets te hard, dan voel ik het meteen: mensen kijken op van hun telefoon of zuchten net iets te hard. Dan weet ik dat ik te ver ben gegaan.
Naast het zitten naast een vreemde is er ook nog het gangpad, waar ik moet staan als er geen zit plek meer is. Ik probeer niet om te vallen bij elke bocht en houd me vast aan een paal waar al tien andere mensen zich aan vasthouden. Oogcontact vermijden is hier heel belangrijk: een paar keer rondkijken is prima, maar staren is echt een grote fout. Als iemand moet uitstappen, is het mijn taak om soepel opzij te gaan. Ook al sta ik helemaal klem, ik probeer toch ruimte te maken zonder in iemands persoonlijke bubbel te komen, wat eigenlijk bijna onmogelijk is.
Eten in de bus is eigenlijk echt een no-go. Niemand zegt er iets van, maar iedereen denkt er hetzelfde over. Doe ik het toch, dan kies ik iets wat niet kruimelt en niet sterk ruikt.
Dan is het eindelijk zover: het einde van de rit, misschien wel het spannendste moment. Als ik bij het raam zit, is het belangrijk om alvast in mijn tas te friemelen en te doen alsof ik mijn sleutels pak, zodat degene naast me weet dat dit mijn stop is. Het moment van uitstappen moet perfect zijn, te vroeg voelt ongemakkelijk en te laat betekent dat ik me door een mensenmassa moet persen terwijl niemand me echt hoort. Het uitchecken moet soepel gaan, als mijn pasje niet werkt en ik te lang blijf staan, voel ik de blikken al van anderen die door willen rijden. Maar dan hoor ik dat piepje, zeg ik de buschauffeur gedag want dat hoort zo en stap ik opgelucht uit met het gevoel dat ik iets zwaars heb doorstaan. Niemand heeft iets gezegd, maar ik weet wel dat ik me aan de ongeschreven regels heb gehouden.
