Over tijd die nergens heen gaat en een overstap die geen overstap voelt

Column
Dit is een column van student Journalistiek & Media Abel Staal
Ik sta op het perron met mijn jas nog half open en mijn tas vast in mijn hand. De bus is net weggereden achter me. Voor me is nog niks. Alleen het spoor.
Mijn telefoon zegt dat ik achttien minuten moet wachten. Achttien. Dat is lang genoeg om koud te worden, maar te kort om ergens anders heen te gaan. Ik loop een paar passen, blijf weer staan en kijk op het bord. Niks verandert. De tijd wel, maar langzaam.
Om me heen gebeurt hetzelfde. Mensen die net als ik doen alsof ze iets te doen hebben. Nog een keer hun telefoon checken. Oortjes in, oortjes uit. Een rondje over het perron lopen. Niemand zegt iets, maar iedereen denkt hetzelfde: waarom eigenlijk.
Wat ik gek vind, is dat dit normaal is. Dit heet overstappen. Alsof dit erbij hoort. Alsof het logisch is dat je elke dag een stuk tijd inlevert zonder dat er iets gebeurt. Niet omdat het nodig is, maar omdat het zo is gepland.
Ik snap best dat bussen te laat kunnen zijn en dat treinen op tijd moeten rijden. Maar achttien minuten voelt niet normaal. Het voelt als extra tijd die nergens voor nodig is. Alsof tijd minder belangrijk is dan een schema.
De trein vertrekt uiteindelijk gewoon. Ik stap in, ga zitten en reis verder. Maar die achttien minuten neem ik mee. Niet in mijn agenda, maar in mijn dag. Want wachten zonder reden blijft zonde van tijd, ook als iedereen doet alsof het normaal is.